Ontdekte ik al fietsend dat mijn losgeraakte linkerschoenveter zich met elke slag strakker tussen mijn trapperscharnier draaide. Met nog een welgemikte slag, kwam mijn rechtertrapper beneden te staan. Ik sprong eerst rechts, toen links van de trapper en had geen andere keus dan mijn fiets daarbij plompverloren op de grond te laten vallen. Zelf was ik in ieder geval gered.
Terwijl ik mijn schoenveter en daarbij mezelf losmaakte, terwijl mijn fiets pontificaal op straat lag, verbaasde ik me erover dat niemand op of om keek.
Gelukkig was alles gewoon goed met me.
*
Heb ik er veel aan gedacht dat iemand zomaar dood kan gaan.
Echt zomaar.
Uit het niets.
Door op het verkeerde moment op de verkeerde plek te zijn.
Domme pech.
Met helaas een omonkeerbaar gevolg.
*
Zag ik een klein wit papiertje voor mijn neus op de grond dwarrelen. Rechts van dat papiertje liep een vrouw, die ik iets in haar mond zag stoppen. Ik keek op en besefte me toen dat er nog steeds mensen zijn die zomaar dingen op de grond gooien. Nog vreemder was dat zij zich van geen kwaad bewust leek te zijn en op haar beurt oprecht verbaasd leek dat ik, toevallig voorbijgaande fietser, haar om de een of andere reden zo lang en verontwaardigd aan keek.
*
Drong het tot me door dat ik beter af zal zijn als ik sommige knopen gewoon doorhak.
Ook al weet ik niet meteen precies hoe het daarna zal lopen.
Maar de tijd en energie die vrijkomt door het hakken van sommige knopen, zal alle onzekerheid en moeite waard zijn.
En als ik dat 100% geloof, dan hak ik die knoop.
Geen reacties
